De Banierpioniers: Jos Tavergne en Ari Peeters

De Banierpioniers: Jos Tavergne en Ari Peeters

Ari Peeters

Vlaanderen vlak na de Tweede Wereldoorlog? Het blijft voor ons een zwart-witbeeld, het beeld dat we van de zwart-witte foto’s overhouden. Het 'hoofdkwartier' van de Chiro - zo heette dat toen - verhuisde van de Grote Kauwenberg in Antwerpen naar de Frankrijklei, met de stootkar - zo ging dat toen. De Chiro had sinds 1946 een winkel, De Chirobanier. Ze verkochten er onder andere uniformen. Na de Tweede Wereldoorlog kocht je die nog met kledingspunten, een soort zegels. En om die punten te verwerken en de bestellingen te doen, namen ze een jonge Chiromeid in dienst: José Lumière.

In dezelfde periode reed bij De Banier een stoere Chiroleider rond op zijn Anglia-moto: Ari Peeters. Het duurde niet lang of de stoere Banierbaas en de levenslustige José lieten hun oog op elkaar vallen. In ’49 huwden ze en stopte José met werken voor de Chiro - ook zo ging dat toen!

Ari Peeters was Licentiaat Toegepaste Economische Wetenschappen. Hij had goede vooruitzichten bij de Kredietbank, tegenwoordig KBC. Daar kwam nationaal leider Ward Van Roey hem vragen om de boekhouding en verkoop van de Chiro onder zijn hoede te nemen, voor een klein preeke. Het zou pas in de jaren 70 een licentiaatswedde worden. Toen ze trouwden, vroeg Ari zijn vrouw mee te kiezen: de Chiro of de privé? Ze kozen beiden voor de Chiro.

Het begin van De Banier zou zich in een oude school in de Rodestraat afgespeeld hebben, waar Ari de grote kookpotten en het andere materiaal opsloeg dat hij uit de Engelse legerstocks opkocht. Jarenlang konden de Chirogroepen die potten kopen.
Ook legeruniformen kocht Ari op. Niet om te verkopen in De Banier, nee. Op de binnenkoer van de Grote Kauwenberg knipten ze er de koperen knopen af om als oud metaal te verkopen.

Maar de belangrijkste koopwaar van De Banier waren de Chiro-uniformen. Je kon kiezen of je de stof of de uniformen kocht, het laatste duurde langer. Je kon een handleiding kopen om het uniform zelf te naaien, wat veel groepen dan ook deden. Daarin lag Ari’s grootste uitdaging: het aankopen van de juiste stoffen voor de juiste prijs.
Hij leerde zelf stoffen kennen tot in de vezel. Als hij met zijn moto naar West-Vlaanderen reed, waar alle grote weverijen lagen, dan moest hij daar kunnen zeggen hoeveel 'kettingen en inslagen' de stof moest hebben. Hij ging met zijn vergrootglas de structuur en sterkte van de stoffen na en wat niet volgens bestelling was, stuurde hij terug. Steevast zocht hij naar de beste prijs. Vaak kreeg hij als aankoper ook 2 of 3 % commissieloon aangeboden, die hij meteen liet aftrekken van de aankoopprijs in plaats van die zelf te innen. En eens de stoffen aangekocht waren, begon de zoektocht naar de juiste 'confectionneurs'.

Voor uniformen kocht De Banier dus eerst de stof. Op een gelijkaardige manier werd voor de Chiro-uitgaven eerst het papier aangekocht en ergens opgeslagen. Als er dan iets gedrukt werd, gebruikte de drukker het Banierpapier. Dat kwam op het einde goedkoper uit.

Toen in 1995 het oude uniform vervangen werd door de nieuwe 'bewegingskledij' had de Chiro nog een voorraad bruine stof over. Nog altijd worden er soms gordijnen of kussenslopen voor de Chirohuizen van genaaid. Voor de huidige uniformen kopen we zelf geen stoffen meer aan. Chiro-uitgaven worden tegenwoordig op papier van de drukker gedrukt. Maar in vroege Chirotijden was een frank een frank.

In 1950 kocht de Chiro Heibrand, een groot huis met domein in de afgelegen bossen van Westmalle. Tegenwoordig rij je er door de residentiële wijken naartoe, maar in die tijd was er geen bebouwing in de buurt. Niemand durfde er te gaan wonen als conciërge ... behalve Ari en José.

Heibrand was gekocht met een lening - de Chiro had geen eigen geld - en Ari moest zorgen voor de afbetalingen. Heel wat financiële acties, in De Banier of met plaatselijke leiders en leidsters, hielpen hierbij. Zo kwamen er de Heibrandschriftjes en de Chiro-agenda’s. De Chiro verkocht ook eens een pausprent, die 40 000 Belgische frank opbracht, juist genoeg om de lonen van de bedienden te betalen.

Ari was een slechte slaper. Vaak hoorde José hem in zijn slaap hardop tellen of vragen waar ze dat geld zouden halen. Maar elke afbetaling was volledig en op tijd. De BAC (tegenwoordig Dexia) zei dat de Chiro áltijd bij hen mocht lenen. En dat was niet de enige positieve klank over Ari’s financieel beheer. Oud-senator Willy Cuypers prees Ari en José op een receptie en zei dat “Als Ari er niet was geweest, de Chiro nooit financieel van de grond was gekomen”.

Ari Peeters ging in 1980 met pijn in het hart op pensioen. Niet lang daarna werd hij overreden in zijn geliefd Ierland. Zijn gezondheid werd nooit meer dezelfde.  

In de laatste maanden vroeg José Ari wat hij zou kiezen, mochten ze opnieuw kunnen beginnen. Ari antwoordde: “Niettegenstaande alles: hetzelfde.” José zei: “Ik ook.”

Dit verhaal is gebaseerd op een interview met José Lumière, de vrouw van Ari Peeters, op 16 september 2005.

[Tekst: Andy Demeulenaere]

Jos Tavergne 

Jos Tavergne werkte in de GB in Antwerpen. Hij hield er een oogje op de kassiersters. Hij had al vele watertjes doorzwommen. Zijn ouders kwamen uit Frankrijk en waren bij Antwerpse familieleden komen wonen. In hetzelfde huis woonde zijn tante die zaalwachter was in de Stadsfeestzaal. Vaak ging hij mee naar de zaal: hij was er al van kleins af door kunst omringd.

In het begin van de Tweede Wereldoorlog was hij op leercontract bij een drukker. De Duitse bezetters eisten hem op als goedkope werkkracht en stuurden hem naar een thermometerfabriek in Stüttgart. Hij verloor een stukje oor, maar leerde er vlot Duits. Hij maakte ook vaak nog etalages bij drukkerij Van Hofstade. Toen kwam nationaal leider Ward Van Roey hem vragen voor De Banier.

Els Geeraerts begon in 1950 te werken voor het Chirosecretariaat op de Frankrijklei om onder andere brieven te versturen naar de leiding. Jos Tavergne kwam toen vaak naar boven uit de winkel om een praatje te maken met Guust Lafère. De secretariaatsmedewerksters sprongen regelmatig eens bij in De Banier, waar er veel postorderverkoop was. Zo liet Jos zijn oog op Els vallen. Ze maakten er veel plezier en trouwden in 1952, waarna Els in een andere winkel begon.

De Banier verkocht toen vooral vlaggen, uniformen en boeken. Ook muziekplaten en gezelschapsspellen deden hun intrede in de winkel. Op zoek naar nieuwe gezelschapsspellen bezocht Jos jaarlijks de speelgoedbeurs in Nürnberg. Zijn Duitse ervaring kwam hem er goed van pas.

In Duitsland was het hobby- of knutselmateriaal toen in opmars. Te vroeg om er aparte beurzen voor op te richten, kreeg het een plaats op de speelgoedbeurs van Nürnberg. Jos’ creatieve fingerspitzengefühl bracht hem op het idee om een nieuwe weg in te slaan met De Banier. Een weg die aansloot bij Chiroactiviteiten en die een vernieuwing op de Vlaamse markt kon brengen.

Dagenlang werkte en schaafde hij aan zijn voorstel - iets wat hij later voor elke belangrijke vergadering zou blijven doen. Hij trok ermee naar Ari Peeters, toen dé Banierbaas.
Zo werd Jos de eerste om de houten parels naar België te halen. Verschillende grote buitenlandse bedrijven maken voor De Banier nog altijd een uitzondering op hun eis om enkel heel grote leveringen te doen. En dat enkel omdat “mijnheer Banier”, zoals sommigen hem op de beurzen kenden, hun eerste Belgische klant was.
Houten parels, watten bollen, raffia, pitriet, klei, pluimpjes, emailpoeder en emailleeroventjes: De Banier bracht creativiteit naar Vlaanderen.

Wat Jos’ tricks of the trade waren? Hij had een sterk ontwikkeld esthetisch gevoel. Hij kon het niet begrijpen dat verkoopsters in hun winkel het papier niet in een harmonische kleurschakering rangschikten. Hij koos - lang nadat confectiekleding zijn intrede had gedaan - voor maatpakken. Hij was cultureel goed op de hoogte, luisterde naar klassieke muziek en verslond boeken. Hij koos daarom altijd voor materialen “die mensen iets beters lieten maken”.

Als zoon van twee Fransen, geboren in Vlaanderen, en na zijn tewerkstelling in Duitsland was hij vlot drietalig. Hij was zo taalvaardig dat hij op het einde van de oorlog in Duitsland ingeschakeld werd om de terugkeer van krijgsgevangenen te organiseren. Engels bleef eerder beperkt tot yes en no, maar daar merkte je op de beurzen in Londen weinig van.
Als aankoper liet hij zichzelf en De Banier altijd van 'de beste kant' zien. Passeerden er mogelijke klanten, dan ging hij op straat tegen een Mercedes leunen (die zeker de zijne niet was). Op beurzen bleek De Banier altijd opeens een groothandel te zijn, een potentieel heel belangrijke klant! Maar privé pakte hij zelden uit: hij bracht geen werk mee naar huis, hij sprak zelden over de nieuwe winkels die hij opende en hij pochte al helemaal niet met het feit dat hij directeur werd.

Hij was een sterke organisator. Thuis stond hij bekend als Jos Neckerman. Jaarlijks organiseerde hij drie uitstappen voor familie en vrienden. Ook bij het Chiropersoneel was hij een van de vermaarde koplopers bij het organiseren van de jaarlijkse personeelsuitstap: de Voyage Mystère. Zich verkleden was daarbij een van zijn stokpaardjes.
Tijd was iets dat hij als een meester benutte. Zijn eigen tijd: om belangrijke punten voor een vergadering tot in de puntjes voor te bereiden, en om geen tijd te verliezen met standhouders van wie hij wist dat hij er niet mee in zee zou gaan. Op beurzen wees hij expliciet de andere kant op wanneer hij hen passeerde, zodat ze hem niet konden aanspreken. Maar ook de tijd van de familie: vrouw en kinderen kwamen elke tweede januari zwart een Banierwinkel buiten waar ze mee de inventaris opmaakten. Zomervakanties dienden om mee parels in zakjes te sorteren.

En ten slotte was er zijn fascinatie voor het getal 12, ook wel 'een dozijn'. 12 kun je delen door 1, 2, 3, 4, 6 en 12 zelf - door zoveel meer dan 10, dus. Verpakken gebeurt tot op vandaag dan ook nog vaak per (veelvoud van) 12. Voor Jos ging het zo ver dat hij zijn telefoonnummer (36 48 30) onthield met “3 dozijn, 4 dozijn, 2 dozijn en een half”.

Dit verhaal is gebaseerd op een interview met Els Geeraerts en Els Tavergne op 5 oktober 2005.

[Tekst: Andy Demeulenaere]